Exact 200 jaar geleden, in 1826 – dus nog vóór het ontstaan van België – werd een instituut opgericht dat nu de Koninklijke Sterrenwacht van België (KSB) heet (of in het Frans: Observatoire Royal de Belgique, afgekort tot ORB). Het oorspronkelijke gebouw van de sterrenwacht bevond zich in Brussel. Vandaag de dag zou geen mens het in zijn hoofd halen om een sterrenwacht te bouwen in een grootstad, maar in 1834, toen het gebouw voltooid werd en de eerste instrumenten in gebruik genomen konden worden, was er nog geen sprake van lichtvervuiling. Enkele decennia later begon het gebouw toch te klein te worden en verhuisde de sterrenwacht naar Ukkel, toen nog een plattelandsdorp. Het oorspronkelijke gebouw aan het Queteletplein in Brussel wordt nu gebruikt als kabinet van de minister van begroting. Het plein is overigens genoemd naar Adolphe Quetelet, de initiatiefnemer en de eerste directeur van de Koninklijke Sterrenwacht.
Tijdens het laatste weekend van september hield de KSB een open dag, die deze keer natuurlijk helemaal in het teken stond van de 200e verjaardag. Op de ruime site in Ukkel zijn nu overigens drie instituten gehuisvest: de Koninklijke Sterrenwacht, het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) en het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie (BIRA). Het KMI kent natuurlijk iedereen, maar van het BIRA hebben de meeste mensen wellicht nog nooit gehoord. Deze wetenschappelijke instelling doet onderzoek naar de hogere lagen van de atmosfeer, neemt deel aan internationale waarnemingsprogramma’s en bedient daarnaast ook de Belgische experimenten aan boord van ruimtesondes en het internationaal ruimtestation (ISS).
Ik had het weekend van 26-27 september al lang van tevoren gereserveerd in mijn agenda. Ik was nog nooit op de site in Ukkel geweest en wou er absoluut eens naartoe. Er viel heel wat interessants te beleven. In het hoofdgebouw kon het publiek kennismaken met actueel ruimteonderzoek en ruimtemissies waar België aan deelneemt. Ook het museum kon gratis bezocht worden, met heel wat oude astronomische instrumenten zoals meridiaankijkers, astrolabia, kleine telescopen, kompassen, heliometers, heliostaten, kwadranten en sextanten, een theodoliet, etc.
Uiteraard waren ook de telescopen te bezichtigen, die elk hun eigen koepel hebben. Momenteel worden de twee grootste telescopen niet meer gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, want ook in Ukkel is de lichtvervuiling ondertussen veel te groot om nog waardevolle waarnemingen aan de nachtelijke hemel te kunnen doen. Onder de eerste koepel staat de grote Cooke-Zeiss-refractor (lenzenkijker) met een 45 cm-objectief (oorspronkelijk 38 cm) en een brandpuntsafstand van 6,99 meter (oorspronkelijk 6,6 meter). De tweede koepel herbergt een Schmidt-telescoop, een reflector (spiegelkijker) met een spiegeldiameter van 40 cm en een brandpuntsafstand van 140 cm.
De derde koepel bevat vier kleinere telescopen die wél nog in gebruik zijn. Deze toestellen worden gebruikt om de zon te observeren. De eerste kijker is een historische Grubb-refractor die een beeld van de zonneschijf op een tekentafel projecteert. Daar tekenen waarnemers met de hand de zonnevlekken over. Deze ietwat archaïsche methode maakt een vergelijking mogelijk met historische tekeningen die dateren van vóór de komst van de fotografie. De andere drie kijkers zijn uitgerust met CCD-camera’s en nemen de zon waar in respectievelijk wit licht (visueel), H-alpha (de chromosfeer) en calcium-K (de hogere atmosfeer).
Op de graspleinen tussen de gebouwen stond een grote tent opgesteld met heel wat infostanden, en waren er enkele grote opblaasbare versies van zon, maan en planeten te zien.
Ter gelegenheid van de 200e verjaardag is er ook een boek verschenen met als titel De Koninklijke Sterrenwacht van België – 200 jaar, 200 verhalen, verkrijgbaar in het Nederlands, in het Frans en in het Engels. Uiteraard heb ik een exemplaar gekocht. Ik zal er vast nog heel wat uit kunnen leren over de geschiedenis van de sterrenwacht.
















